4 Rassen

Dit hoofdstuk bevat de beschrijvingen van de rassen en hun reacties naar elkaar zoals die bekend zijn in de wereld. Toch is er iets wat over alle rassen gaat.
Sinds de rassen elkaars paden zijn gaan kruisen zijn er ook situaties gekomen die tot voorplanting zouden kunnen leiden tussen 2 leden van verschillende rassen. Nu is gebleken dat dit vaak niet lukt, de kansen verschillen wat met de verschillende combinaties. Bij combinaties die wel regelmatig tot kinderen kunnen leiden komen er regelmatig ‘muilezel’ effecten voor(kruising niet in staat zich voort te planten).
De enige uitzondering hierop zijn de feeën. Feeën lijken totaal geen last te hebben van sterk verminderde vruchtbaarheid van gemengde paren, wat dus ook regelmatig voor komt Het enige is dat kinderen van deze paren toch uiteindelijk van een ‘puur’ soort lijken te zijn. Soms zoals 1 van de ouders maar het komt ook voor dat het kind iets anders is dan beide ouders. In deze gevallen is er meestal toch wel iets van een logisch verband te zien tussen de oudercombinatie en wat daar voor kind uit is voortgekomen.
Over het algemeen is dus interraciale voortplanting uitermate moeilijk en samen met hoe het soms wel werkt zorgt het er voor dat de rassen niet allen ‘dooreen’ raken en puur blijven. Dit ondanks dat alle rassen tegenwoordig zo veel door elkaar heen wonen.
De kledingstijlen verschillen enorm tussen de verschillende rassen. Bij ieder ras is een stuk toegevoegd over de kledingsgewoontes die er op na gehouden worden. In hun oorspronkelijke gebieden klopt dit meestal best aardig maar in andere gebieden past men zich nog wel eens aan voor economische of praktische motieven zoals aanpassen aan locale klimaat. Persoonlijke voorkeuren spelen hierin natuurlijk ook mee.
Omdat naamgeving vaak familietradities bevat blijft dit in andere gebieden meestal meer in takt, maar variaties die het een beetje veranderen in de richting van de locale stijl zijn dan zeer veel voorkomend.
Er moet in gedachte gehouden worden dat namen die te maken hebben met aardse godsdiensten niet voorkomen en er gestreefd is dat als deze in een bepaalde van aarde geleende naamgevings traditie wel voorkomen niet tussen de voorbeelden staan omdat die niet gebruikt worden.

4.1 cuniculen

De oorsprong van de cuniculen is nogal onduidelijk, een tijd geleden, nog niet zo lang en veel later dan dat de andere rassen gecreëerd waren, kwamen de eerste berichten dat ze gezien waren, er zijn een aantal theorieën hier over: een ongelukje van een tovenaar, een actie van een of ander raar figuur wat het gewoon tof leek, een of ander experiment van een god die zin had om een nieuw ras te maken en te zien wat er dan gebeurt. Wie het in gang zette is onduidelijk, maar het ging ongeveer zo: "Spontaan" begonnen sommige konijnen iedere generatie meer te evolueren naar een mensachtig wezen tot ze waren wat ze tot voor kort waren: gewoon een kruising tussen mensachtige en konijnen die qua groote tussen de 89cm en 1.10m zitten. Ze gedroegen zich in grote lijnen nog als konijnen, dus fokken als idioten, holen graven, gezellig wat kletsen en verhuizen als er overbevolking is en daardoor een voedsel tekort. Zo nu en dan werden ze gevangen door de andere rassen, het ene ras is hier wat actiever in dan het andere en die eten ze. Ze schijnen best goed te smaken, enkel word het regelmatig onethisch bevonden om een dier te eten dat intelligent lijkt te zijn, de tolvs hebben dit het minste. De dwergen zouden ze het liefst volledig uitgeroeid zien in de gebieden waar zij leven omdat ze voor instortingen in hun stelsels zorgen door hun gegraaf voor hun holen. Vanaf het begin vonden de dwergen het al niks dat de cuniculen in "hun" grond rotzooien. Maar omdat het enkel steeds erger leek te worden hebben de dwergen besloten om te gaan onderhandelen, dit bleek niet bepaald geweldig te gaan omdat de cuniculen nogal vast wilden houden aan hoe ze nu leefden totdat een wanhopige opmerking van een dwerg (kunnen jullie die pronkende tolvs die jullie zo nu en dan serveren niet lastig gaan vallen of zo, daar is vast meer geschikte ruimte voor jullie te vinden) en dat was het begin van hun plannen, vooral omdat nadat de onderhandeling afgebroken waren de dwergen hun nogal opjaagden en dus moesten ze iets doen om te overleven.
Door het conflict met de dwergen en het feit dat ze nu op vaste locaties leven wonen de cuniculen tegenwoordig boven de grond. Maar omdat ze toch gehecht zijn aan het in de grond wonen maken ze tegenwoordig hun huizen in hopen grond die bijeen worden gehouden met muren. In deze muren zit enkel een rond gat aan de onderkant, en soms ook een in het dak om dit als tuin te kunnen gebruiken, en de wortels zorgen dan voor stevigheid. In deze van buiten als huizen uitziende structuren graven zij hun holen. Doordat ze een relatief nieuw ras zijn gebruiken ze ook gewoon de talen die er gesproken werden in de gebieden waar ze verschenen en hebben geen eigen taal.
Cuniculen zijn op hun 8ste al volwassen en zijn meestal op hun 25ste alweer dood, door deze korte levensduur hebben ze niet de tijd om al te veel te leren. Door dit leerprobleem zijn cuniculen ook erg slecht in staat om de tovenarij te leren, wat er weer voor zorgt dat zij erg wantrouwig zijn over magie. Enkel van de Elfjes word het meestal getolereerd, dit heeft er mee te maken dat ze denken dat deze eeuwig kunnen blijven doortoveren en ze ze dus niet aan kunnen.
Binnen de cuniculen is er ook een klasse stelsel wat zeer discriminerend is, zo word iedereen beoordeeld op het soort konijn hij is, en hoe zuiver in dat soort enzo. Zo zijn de Vlaamse reuzen zeer gewaardeerd als wachters(ze zijn gemiddeld zo'n 20cm groter) omdat ze goed in hun eentje een deur kunnen verdedigen, meestal zijn zij dan ook deur wachter in paren met een wat haziger type(die zijn gemiddeld zo'n 10cm groter) die uitstekend geschikt zijn als boodschapper. In andere taken kan men de Vlaamse reuzen meestal niet waarderen en word er constant commentaar geleverd op hun logheid.
Ook geen vlekken, veel vlekken of bepaalde vlek patronen doen er toe. Verder heeft het beroep en de familie geschiedenis nog effect erop, de gemiddelde waarden zonder de effecten van bijzondere omstandigheden zien er zo uit:

Tabel 4.1 : Rangorde in de cuniculen
Grote konijn Vorm oren Grijs Veel gevlekt Niet gevlekt Licht gevlekt
Klein Kort 2 3 4 5
Lang 5 6 7 8
Lang hangend 4 5 6 7
Normaal Kort 4 5 6 7
Lang 7 8 9 10
Lang hangend 6 7 8 9
Vlaamse reus Kort 1 2 3 4
Lang 4 5 6 7
Lang hangend 3 4 5 6
Hazen Lang 4 5 6 7
De getallen geven de verhouding weer op de sociale ladder, als basis is deze van 1 tot en met 10, door modificaties kan dit nog iets buiten dit bereik komen. Zo is de mogelijkheid dat de cunicul langharig is niet opgenomen, dit is omdat het meestal een negatief effect heeft, het is namelijk lastig over het algemeen. Zo nu en dan als het haar op de juiste manier verzorgd word en gebruikt kan het de status juist verhogen, dit zijn vooral jonkvrouwtjes die zo een last tot deugd omvormen, en troubadours kunnen het gebruiken om hun uiterlijk wat aparter te maken.
Ook de kleding van de cuniculen verschilt nogal naar gelang de stand een cunicul zich in bevind. De laagste standen dragen nauwelijks kleding omdat hun vacht dat redelijk overbodig maakt. Cuniculen die een wat beter positie hebben willen dit ook laten zien met dat ze geld over hebben voor kleding en naar gelang de stand wordt dit ook steeds meer en uitbundiger. De cuniculen hebben een voorkeur voor ruime kleding zodat hun vacht niet in de weg zit. Pofbroeken en bloezen zijn dus populair, maar ook bloezen met veel franje over de sluiting. Doordat hun kleding bijna nooit noodzaak is kun je dit ook goed zien in het uiterlijk doordat het altijd duidelijk voor sier is (en dun om het niet te warm te krijgen).
Het simpele werkvolk heeft regelmatig wel schorten en dergelijke om zo te voorkomen dat hun vacht vies of beschadigd raakt door hun werk. De militairen dragen kleding om hun functie uit te stralen, en om op het slagveld herkenbaar te zijn. Deze kleding bestaat dan uit een poncho(zoals de musketiers vaak afgebeeld worden) een riem houd deze op zijn plaats en hangen eventueel wapens en dergelijke aan.
Namen zijn enigszins zoals men ook wel eens konijnen noemt (behalve natuurlijk als men zijn konijn naar mythische wezens, beroemdheden of filmsterren vernoemd) zoals uit Bambi of waterschapsheuvel. Heel veel namen zijn dus gebaseerd op hun kleur, gedrag of dingetjes op de grond zoals plantjes of nootjes.
Voorbeeldnamen mannelijk: Wummel, Stampertje, Witje, Drammer, Roffel, Hazel, Fiver, Bigwig, Silver, Pipkin, Dandelion, Frith, Blackavar, Vervain.
Vrouwelijk: Ebony, Witta, Blacky, Pluisje, Witje, Snuitje, Knaagje, Holly, Blackberry, Clover, Kehaar, Hyzenthlay, Lucy.

4.2 Geinwortels

Cuniculen lijkt dit een zeer interessant wezen om te eten. Ze zien eruit als een wortel met een gezichtje dat vaker als het eens verschijnt tegen iedereen in de buurt probeert te kletsen. De meeste mensen vinden ze lachwekkend. Toch gebeurd het ook nog wel eens dat dat lachen ze iets later ineens vergaat.
Ze zijn vrij zeldzaam, zelfs al voordat de cuniculen het overnamen. Ze waren soms een attractie op festivals. Sinds corrupte stadswacht ze in beslag proberen te nemen zie je ze daar niet meer. In de hele geschiedenis voordat de cuniculen kwamen zijn er altijd wel berichten geweest van geinwortels die op de meest vage plaatsen opduiken. De cuniculen hebben dit verminderd, op het menu van hen staan is vast een goede reden.
Sommige personen zijn ook erg wantrouwig wat betreft geinwortels, ze vinden het raar dat zoiets opvallends het weet te overleven, ze vermoeden dat het een geintje van een godheid is en dat je er beter bij uit de buurt kunt blijven, wie weet wat voor plan er achter zit. Ook wordt in die context vermoed dat de godheid die de geinwortels ingebracht heeft een conflict heeft met degene die verantwoordelijk is voor de cuniculen. Niemand vindt het leuk als zijn troetelvolkje ineens hoog op iemand z’n menu komt te staan.
Geinwortels zijn niet voor de spelers beschikbaar om hun karakter te maken.

4.3 Dwergen

De dwergen hebben een korte gedrongen bouw meestal tussen de 1,29m en 1,51m en zijn over het algemeen goed gespierd. Ze hebben een uitbundige haargroei wat zich zichtbaar uit in lange krullende haren en baarden. Onder de kleding is het een licht vachtje om de kou van de stenen weg te houden die soms op handen nog een beetje te zien is.
Sinds de cuniculen verschenen zijn hebben de dwergen direct hun aandacht meer naar binnen gedraaid hun eigen samenleving in. Met dat het cuniculprobleem hard groeide zijn zelfs een aanzienlijk aantal dwergen die (meestal in de heuvels) boven de grond leefden de diepgelegen gangenstelsels in gegaan. Verder hebben ze hun ingangen versterkt en ze laten steeds minder buitenstaanders binnen. Nu de chaotische cunicul regeringsstructuur buiten heerst laten ze enkel nog mensen die voor de cuniculen werken in de voorportalen van hun stelsels om wat handel te drijven maar dat stelt niet zo heel veel meer voor. Wantrouwige, of hoopvol gestemde geesten denken dat de bovengrondse wereld wel nog goed in de gaten gehouden wordt door de dwergen om eventueel in te grijpen mocht dat nodig zijn. In die theorie zijn de zo nu en dan rondtrekkende dwergen dan ook de spionnen die vooruit gestuurd zijn. Er is tot nu toe echter nog niemand instaat geweest enig bewijs voor of tegen deze stelling te voorschijn te halen.
Van de structuur in de samenleving van de dwergen is een stuk minder bekend dan van de andere rassen. Dit is vermoedelijk omdat er boven de grond veel minder van te zien en terug te vinden is en verhalen van mensen die in het verleden onder de grond geweest zijn helpen ook niet veel. Zij spreken van een soort voorportalen, dit zijn vermoedelijk de bekende toegangen die overal in de bergen en heuvels te vinden zijn. Omdat ze allen schijnbaar niks hier te doen hadden is van deze voorportalen niet meer bekend dan wat men tegenwoordig er van ziet tijdens de handel. In deze voorportalen werden ze naar een groot liftsysteem gebracht dat ze naar eigen zeggen onmetelijk diep de grond in bracht, een snelle afdaling door een pikzwarte schacht. Dit liftsysteem leek groot genoeg om een aantal wagens tegelijk te kunnen verplaatsen. Toen ze bijna beneden aan gekomen waren begonnen, tot hun verbazing, de muren licht te geven! Toen de lift stopte verminderde het licht enigszins. Beduusd door deze afdaling werden alle bezoekers eerst naar een gastenverblijf gebracht. Een van hen omschreef deze tocht als volgt: "Het was alsof we in een stralende ring liepen zo gaf alle gesteente om ons heen licht af terwijl wij passeerden, onderweg naar het gastenverblijf. Volgens onze begeleiders is het een reactie van het gesteente op onze aanwezigheid. Het meest wonderlijke was nog dat de kleur zo nu en dan veranderde van het wittige wat we eerst zagen naar rood of groen!!"
Tijdens de tocht door de gangen verschenen er regelmatig in de verte andere lichtplekken die bij benadering dwergen bleken die onderweg waren. In sommige tunnels zag en voelde men sporen uitgesleten in de vloer die suggereren dat er vele wagens ooit gereden moeten hebben maar geen enkel verslag vermeld deze echt gezien te hebben. In een enkel verslag wordt verteld over een kar die ergens geparkeerd stond. Het was een wagen met relatief kleine geheel metalen wielen die zijn bak dicht bij de grond had, maar het lastdier dat deze zou moeten trekken was niet te zien. De grootte van de gangen leek toch afgestemd op deze karren, allen niet echt hoog en met variabele breedte. De tunnels waren zodanig breed dat er net ruimte genoeg was voor zo’n wagen en een voetganger om elkaar te passeren of een veelvoud hiervan. De laagte van de tunnels leek geen probleem doordat die gecompenseerd werd met hoe laag de wagen was en er dus toch een normale last door zou moeten passen.
Een van de verslagen verteld van een ontmoeting onderweg. "Nadat we een tijd aan het lopen waren kwam een van de ons tegemoet komende dwergen op een van onze begeleiders af en begroette hem heel uitbundig met het noemen van zijn naam en vervolgens een omhelzing met schouderkloppen enzo. We hebben toen een tijdje staan wachten tot die 2 uitgepraat waren. Naar mijn gevoel moet het een uitermate boeiend gesprek zijn geweest gezien de uitbundige manier van praten en de grote bewegingen die ze er bij maakten. Helaas was dit in een ons totaal onbekend dwergen dialect en konden we er niks van volgen."
De gastenverblijven leken enigszins aan de randen te liggen van iets wat gebaseerd op het kleine beetje dat ze gezien hebben vermoedelijk een ondergrondse stad was. Hier waren meer tunnels, sommigen ook wat kleiner dan de wagen. Het meest opmerkelijke dat hier gezien werd was een soort van perkje op een kruising dat de hele tijd enigszins verlicht was. In dit perkje stonden een aantal vreemde planten dat wat deden denken aan vliegen vangende planten van boven de grond, maar deze leken de hele tijd te bewegen.
Het uiteindelijke gastenverblijf was gelegen aan het eind van een korte, zo’n iets kleinere tunnel en dit werd weer uitbundig beschreven wat hier toch allemaal voor wonderlijke zaken waren. "Aangekomen bij ons verblijf leidde onze begeleider ons naar binnen. Ook hier bleven de muren licht geven, alhoewel het minder leek te worden toen we bij binnenkomst rustig rondkeken, maar toen werd er met een zwengel iets opgewonden in een kastje aan de muur waarna een groot wiel met schoepen boven de tafel begon te draaien en het weer helemaal licht werd in de kamer!! Uitermate fascinerend hoe iets wat er uit ziet als een ventilator voor licht zorgt!!"
Alle verslagen vertellen vervolgens van wat experimenten met de verlichting en de conclusie dat het iets met beweging te maken heeft en vervolgens de benodigde rust en het vooruitzicht om de volgende dag nog veel meer wonderlijke zaken te beleven.
De tocht naar de verschillende overleggen worden allemaal ongeveer vergelijkbaar beschreven als het laatste stuk naar het gastenverblijf, behalve dat er vaker van die vreemde planten in perkjes opduiken. De laatste tunnel naar de zaal toe wordt iedere keer apart beschreven: "De laatste tunnel was anders dan de anderen, hij was erg breed maar zonder wielsporen in de vloer, en het plafond liep vrij snel op tot 2 of 3 keer de normale hoogte. Deze gang nog het meest het equivalent van een laan in de bovenwereld door deze ruime opzet en dat er 2 rijen van op gelijke afstand geplaatste perkjes met de wonderlijke planten waren. Hier ook regelmatig mooie planten die echt anders zijn dan de vreemde planten die er uitzien alsof ze je willen bijten. En deze gang leek constant verlicht te zijn. Deze laan eindigde bij een muur die bovenaan voorover komend overloopt in het plafond. In deze muur was een grote zware dubbele houten deur met 2 wachters voor en 2 anderen die constant heen en weer liepen. Deze muur was lichter dan de rest van de gang."
"Toen wij naderden bleken de wachters op de hoogte te zijn van onze komst en werd de deur geopend om ons binnen te laten in de meest wonderlijke zaal. Een zaal waarmee iedere koning of godheid zich gevleid zou voelen. We waren bij binnenkomst zo overdonderd door deze zaal dat we al onze manieren vergaten en daar een tijdje hebben staan staren naar alle afbeeldingen die ze gemaakt hadden in de muur, ingelegd met gekleurd glas en speciale stenen en begrensd met een rand ondoorzichtige waardoor ze er uit leken te stappen. Sommige afbeeldingen hadden thema’s die ons bekend voorkwamen van verhalen over de goden, anderen waren vermoedelijk ter ere van grote dwergen gemaakt, compleet met onderschrift, maar helaas dat konden we niet lezen. Tussen de afbeeldingen waren weer van die ventilatorachtige constructies geplaatst en langs de rand van de zaal liepen de hele tijd een tiental wachters hun rondjes. Toen we eindelijk onze gastheren beken, zagen we ze met een soort trotse tevredenheid naar ons kijken. En ik heb nog steeds het idee dat we erg makkelijk geweest zijn in de daaropvolgende onderhandelingen met deze bestuurders, doordat we nog de gehele tijd bewonderend die zo fijn gemaakte oplichtende decoraties bekeken."
Dit is alles van interesse wat er uit deze verslagen te halen valt en ondanks dat het een tipje van de sluier van de dwergen oplicht, roept het ook veel vragen en nieuwsgierigheid op.
Op geen enkel continent wordt in de religieuze centra een taal gebruikt die echt lijkt op die van de dwergen. Toch wordt op Zuid-Knabosa(C3) een taal gebruikt in de religieuze centra die bij geen van de andere 'oude' rassen behoort en wel zodanig oud is. Doordat de dwergen dan het enige oude ras zijn dat niet duidelijk ergens zijn taal heeft achtergelaten doet dit toch vermoeden dat de dwergen hier ooit de eersten waren. Ook worden er zo hier en daar op Zuid-Knabosa wel resten gevonden van oude bewoning die wel van dwergen zou kunnen zijn. Hoe het komt dat in de overlevering van Zuid-Knabosa niet echt meer over de dwergen gemeld wordt dan elders op de wereld is erg onduidelijk. Ook een verklaring voor de onbekende oorsprong van de religieuze taal is niet te vinden.
Men vermoedt dat in het ondergrondse rijk van de dwergen ook een religieus centrum is, aangezien er nauwelijks dwergen naar de bovengrondse centra komen. Niemand kan zich voorstellen dat ze zo anders met de goden en de religie omgaan dat ze geen centrum zouden hebben. Over oertalen en dergelijke in eventuele religieuze centra van de dwergen is dus totaal niks bekend.
Omdat de meeste dwergen die door de wereld trekken strijders zijn is hun kledingstijl hier dus ook mee in overeen stemming door vrijwel altijd geharnast te zijn. Maar ook als ze zonder harnas zijn en de enkele andere dwerg die gezien wordt draagt veel metaal in de vorm van sieraden. Grote zware platen met afbeeldingen van goden of familie wapen of iets dergelijks en zware of veel arm en been banden. Zelfs de (broek)riemen zijn geheel van metalen schakels. En erg veel verschil lijkt er niet te zijn tussen mannen en vrouwen.
Veel dwergen zijn gezien in een rokken van zware stof. Dit nog verder verzwaard met geborduurde decoraties met verschillende metaaldraden, of metalen strips er op geborduurd tot grote patronen. Ook op hun shirts zijn dit soort decoraties te zien, hierbij rekening gehouden met waar ze verborgen zouden worden door kettingen of weelderige haarbossen.
Voorbeeldnamen mannelijk: Adalardo, Angus, Briac, Cadman, Chadwick, Dermot, Driscoll, Farrell, Ferris, Keith, Marmaduke, Tadc, Tiernan, Tuathal, Vaughan.
Vrouwelijk: Aileen, Aithne, Brenna, Caitlin, Cuyler, Erlina, Gwynne, Isolde, Morgandy, Saraid, Shayla, Ula, Wynne.

4.4 Tolvs

De tolvs zijn voor het eerst verschenen op Schempa (C1) toen zij daar gecreëerd werden door Rally. Doordat zij als eerst op Schempa waren word daar ook hun oorspronkelijke taal gebruikt voor interactie met de goden.
Tolvs zijn licht gebouwde personen van gemiddelde lengte (meestal variërend tussen de 1,67m en 1,93m) met puntoren en steil haar. Wat ze aan baardgroei hebben is net tot een lijn baardje of snorretje te vormen. Kleine omhoog krullende snorpuntjes worden zorgvuldig gekweekt en met gepaste trots door de eigenaar behandeld.
Zodra de tolvs zich enigszins redelijk gevestigd hadden op Schempa begonnen de eerste tekenen van hoe hun cultuur zich zou ontwikkelen duidelijk te verschijnen. Het was er een van pronken en overtreffen, en natuurlijk de jaloezie als anderen meer hadden. Deze competitie verhardde zich steeds meer waarbij het bloed rijkelijk gevloeid heeft en waar uiteindelijk een soort van adel uit ontstond die zijn positie financierde met belastingen van de simpele burgers, de families die al vroeg uit de competitie lagen. Voor deze tolvs om toch te voldoen aan de behoefte tot opscheppen en superieur te voelen is er nu een soort van vervangende trots. Namelijk de trots om toch echt wel een superieurdere familie te dienen dan die tolvs in het volgende gebied. En als gemeenschap de goden rijker te eren dan de buren en te hopen dat hierdoor ze misschien de kans geboden zal worden toch een betere positie te krijgen.
Het ellebogenwerk waarmee de adel zijn posities heeft weten te verwerven is een manier van doen geworden die je nog terug ziet in vele dingen. Het duidelijkste in de rechtspraak die de adel zelf geregeld heeft, en daardoor dus erg weinig op hen toegepast word. De rechtspraak en vooral de straffen zijn namelijk nogal onsubtiel doordat lijf- of doodstraf zeer veelvuldig er in voorkomt, al vanaf vrij kleine vergrijpen, en deze worden ook veelvuldig uitgesproken. Toch is er van deze agressieve rechtspraak uiterlijk in de maatschappij weinig te merken en lijkt het een hele rustige vriendelijke en vreedzame samenleving. Zo worden de straffen binnen de muren van de justitiële gebouwen uitgevoerd en zal de bevolking iedereen vriendelijk behandelen. Maar ondertussen zullen ze wel ongemerkt zeker willen stellen dat je geen spion of verrader bent of poging doet je ten koste van hen omhoog te werken. Raadselachtige verdwijningen kunnen hier dan wel het gevolg van zijn.
Deze rigoureuze rechtspraak en dat het nauwelijks op hen gebruikt wordt leidt er toe dat de adel het veelvuldig (ge/mis)bruikt om hun positie en rijke statige levensstijl zeker te stellen. Dit door mogelijk verzet onder hun bevolking vroegtijdig de kop in te drukken wat de burgers proberen te voorkomen door zomin mogelijk aanleiding te geven. De bevolking probeert ook heel erg om ondanks hun veel mindere positie toch de statige levensstijl van de adel te evenaren.
De adel onderling is een ander verhaal, ook zij zijn uitermate competitief en doen hun best elkander af te troeven, en doen dit ook regelmatig met geweld. De cuniculen hebben dit goed van ze afgekeken ondanks dat het met de mengingen van de rassen en zeker met de komst van de cuniculen een heel stuk minder extreem geworden is. (Misschien wel omdat ze zich nu meer als volk superieur aan de cuniculen willen bewijzen in plaats van constant aan elkaar). Toch is hun bruutheid in sommige zaken nog terug te vinden zoals hoe men bijvoorbeeld met krijgsgevangen cuniculen omgaat. Er zijn regelmatig veldslagen die cuniculen opleveren voor hen sinds de cuniculen veelvuldig de tolvs van hun landgoederen verjaagd hebben.
De tolvs leefden vooral in de bosrijke gebieden en verbouwden hun producten dan op open gebiedjes. De bevolking wonend in kleine houten huisjes met veel groen omheen waardoor zelfs de steden wat van een bos weg hebben en de bevolking trots kan zijn. Trots op straten die er uitzien als mooie statige lanen van rijkelijk bloeiende bomen en pleinen met een grotendeels dekkend bladerdak. De adel aan de andere kant woont een beetje apart in degelijke stenen burchten in open overzichtelijke gebiedjes. Als ze al tuinen hebben lijken deze meestal op van de strakke lage franse tuinen zodat eventuele aanvallers van verre zichtbaar moeten zijn. Dit uit angst voor aanvallen of aanslagen door concurrenten voor hun positie.
Met de komst van de cuniculen zijn de tolvs, net zoals veel anderen, de controle over veel van hun landen verloren aan de cuniculen. De gebieden die ze wel nog hebben zijn meestal zeer bosrijk en daardoor minder interessant voor de cuniculen. Een deel van de tolvs is de bezette gebieden uit getrokken dieper de bossen in, vermoedelijk naar de magische steden van de feeën. De tolvs, gekrenkt in hun trots door dit verlies, doen pogingen hun landen weer terug te krijgen en zo zwerven er in die gebieden redelijk wat avonturiers en verzetsstrijders rond. Ook de orde der Paladijnen van de tolvs is nog uiterst actief.
In gebieden waar de tolvs hun macht niet kwijt geraakt zijn daarentegen stellen ze zich redelijk behoudend op ten opzichte van de cuniculen. Ze hebben hun verdedigingswerken versterkt en aangepast op bekende strategieën van de cuniculen en slaan eventuele aanvallen af. Maar als de cuniculen in vrede willen samenleven is dit ook mogelijk. (alhoewel het aantal verdwijnende cuniculen in deze ‘vreedzame’ gebieden een beetje evenredig lijkt te zijn met het aantal tolvs en vosjes wat er in woont, wat tot spanningen kan leiden)
De elite van de Tolvs draagt zeer vaak kleding in de stijl van de tropen expedities eind 19e eeuw. Er worden grote hoge laarzen gedragen waar de broeken in uit komen, deze broeken zijn bij mannen van de knie af strak omlaag strak en bij het bovenbeen als een pofbroek. Nog meer worden er lage schoenen gedragen, dan zijn er hoge (witte) sokken die aansluiten met het strakke gedeelte van de broek. Als bovenkleding dragen ze zeer nauwsluitende nette stijve jasjes die iets weg hebben van leger uniformjasjes, regelmatig met korsetten om buikjes weg te werken. De jasjes hebben een band op de taille die beetje aangetrokken wordt, daaronder staat ze een beetje naar uit. Er worden vaak een soort van helmen gedragen, vrij hoog met een brede opzij staande rand (tropenhelm), ook wat andere hoeden worden wel gedragen, deze lijken dan enigszins in vorm maar wel iets lager en beetje hoekig.
De vrouwen dragen altijd deze laarzen en dragen normale losjes zittende broeken met een leren riem. Daarboven een makkelijk zittende bloes met lange mouwen die eindigen in enigszins nauwe boordjes. De kraag is juist losjes en worden vaak sjaaltjes gedragen om dit verder af te sluiten. Ook de vrouwen dragen wel eens helmen of hoeden die hier iets op lijken maar deze zijn dan rondachtig. Soms dragen ze ook wel losjes zittende jasjes die lijken op de herenjassen.
De kleur van beide is meestal vrij licht, kaki of iets dergelijks, maar niet wit (op die sokken na). Soms ook andere kleuren maar geen blauw en alles redelijk eentonig. Bij de vrouwen iets vaker wat meer kleur.
De laagste groepen lopen meestal in enkel een wijde kuitbroeken, soms opgestroopt tot de knieën, hiervoor zit er soms een touwtje in de onderrand om hem vast te zetten. Bij de vrouwen uitgebreid met een zelfde wijde bloes/shirt met erg korte mouwtjes en bovenaan een cm of 5 vetersluiting. De kleding is over het algemeen vrij kleurloos, regelmatig gewoon de kleur van de grondstoffen.
Verder loopt de stijl enigszins vloeiend over van de een in de ander naarmate de sociale positie verbetert. Soms door op bijzondere dagen kleding te hebben die meer lijkt op de dure adellijke kleding.
Voorbeeldnamen mannelijk: Boris, Vladimir, Fjodor, Ivan, Lesta, Sacha, Vadim, Yakov.
Vrouwelijk: Aksana, Cyzarine, Fayina, Irina, Kiska, Olga, Sonia, Tanya, Vania, Yeva, Zilya, Marina.
De namen klinken meestal enigszins Russisch.

4.5 De feeën

Deze groep bestaat uit een aantal verschillende soorten die behoorlijk variëren. Het zijn allemaal magische wezens die uit verschillende soorten mydum komen. Mydum zijn mystieke woonplaatsen die zonder hulp niet of uiterst moeilijk te vinden zijn omdat de feeën deze bijzondere plaatsen beschermen en in principe niemand zonder uitnodiging binnen laten. Dit maakt het dus haast onmogelijk om binnen te komen mocht je het al weten waar je er een zou moeten zijn. Zij zullen namelijk allerlei methoden gebruiken om je weg te houden of leiden.
De magische eigenschappen en sterktes verschillen ook behoorlijk van soort en gebied waar de feeën wonen(of vandaan komen). Het landschap waarin ze wonen is gerelateerd aan de magie die ze gebruiken en hoe het mydum er uit ziet waar ze zich lekker in voelen. Doordat de feeën erg gesloten zijn over de myda is er helaas verder niet veel bekend over hoe die er vanbinnen uitzien en het er aan toe gaat.
Naast deze myda bestaan er ook steden die meer zijn zoals men een stad verwacht en die een meer gemixte bevolking bevatten en ook vele malen groter (kunnen) zijn. In deze steden is bijna alles te doen en regelen met de feeën wat je zou kunnen bedenken en daarmee is de kans dat het noodzakelijk is om een mydum in te komen ook zo goed als niet-bestaand.
In deze steden is het dat de cultuur van de feeën zich laat zien in zijn grootse verscheidenheid door alle ondersoorten die hier bij elkaar wonen. De soorten wonen hier enigszins door elkaar heen, vooral grote soorten en hele kleine hebben de neiging in buurten door elkaar heen te wonen en gebruik te maken van elkanders kwaliteiten. De kleine wonen dan in delen van de gebouwen van de grote die voor hen niet efficiënt te gebruiken zijn en bijvoorbeeld een kabouter nog een hele mooie woning in ziet. En zo dienen grote dikke bomen die de straten decoreren ook regelmatig als woning voor bijvoorbeeld feeën. Andere rassen mogen hier ook wel tussenin wonen, zolang ze de gewoontes en waarden van de feeën respecteren, herhaaldelijk dit niet doen resulteert in uitgezet worden, en dan zorgen ze ook dat ze nooit meer last van je hebben.
Wat al de subrassen gezamenlijk doen is het eren van Lark die hen alleen rond dezelfde tijd op Genidias (C6) gecreëerd heeft. De subrassen hebben van het begin af aan weinig met elkaar over hoop gelegen. Mochten er al spanningen ontstaan dan kwam dat meestal door verschillen in levensstijl of overtuiging en werden die opgelost doordat men wat verder van elkaar ging wonen. Zodoende zijn de feeën ook vrij snel over de wereld verspreid, en zonder de andere rassen daarbij lastig te vallen.
Hun talen waren allemaal dialecten van wat nu hun algemene taal is om via de goden hun magie te bedrijven. De feeën maken erg veel gebruik van de religieuze taal, ook gewoon onderling, omdat de myda zich vaak schijnen te concentreren om grotere en kleinere religieuze centra. In de echte steden zijn ook altijd een redelijk aanzienlijke tempelcomplexen in vergelijking met de andere rassen, maar natuurlijk niet ten opzichte van de grote continentale ‘tempelsteden’. Dit is al sinds het begin van hun tijd zo en dus is de taal constant gebleven uit respect voor de goden. Tussen de verschillende soorten feeën hoor je enkel accentverschil.

4.5.1 Elfjes

Elfjes zien er uit als zeer kleine(ze variëren in grote tussen de 10 en in grote gevallen 30 cm) tengere mensjes met insecten(oa vlinder) vleugels waarmee ze kunnen vliegen. In vergelijking met de grote mensachtigen maken zei het verschil in grote ruimschoots goed met andere kwaliteiten. Hun voordelen komen juist van het klein zijn en hun magische krachten. Zij zijn de sterkste magiërs waarvan bekend is dat ze over de wereld trekken en dat schijnt hen ook nog van nature te komen en weinig training te vereisen. En het gerucht gaat zelfs dat ze de goden niet nodig hebben om magie te gebruiken!! Dit wordt nog versterkt doordat ze veel minder aandacht aan de goden schenken dan alle andere (sub)rassen.
Toch vermoedt men dat er binnen de myda nog sterkere wezens huizen omdat men betwijfelt of dat al die magische verdediging niet ook een elfje te veel is. Dit omdat er anders toch zeer velen in de myda zouden moeten wonen en ze een neiging hebben enigszins solitair te leven. Of minstens zich enigszins te isoleren van de rest door bijvoorbeeld best hoog in een grote boom in een stad te wonen.
In de wereld buiten hun steden en myda zijn de elfjes vaker avonturier of hoftovenaar. Dit laatste omdat de cuniculen besloten hadden dat ondanks hun antipathie tegen magie de elfjes toch te goed met hun magie om leken te kunnen gaan. Ze durfden de elfjes niet ook aan te pakken om hun ook de magie te verbieden, en dus hebben ze maar geprobeerd het te integreren. Niet dat alle elfjes zich daar iets van aan trekken want ook hier stralen ze vaak uit dat ze zich toch wat beter voelen dan de anderen. Dit past wel met dat ze letterlijk een niveau hoger leven dan de andere (sub)rassen en enkel omlaag komen als dat hun uitkomt. Als ze wat nodig hebben dus. Toch zijn er ook genoeg elfjes in steden die hun leven vullen met andere bezigheden.
In werk hebben ze vaak een voorkeur voor fijn en ambachtelijk werk zoals het maken van sieraden en dergelijke die naar maatstaven van de grote mensachtigen een ongelofelijke hoeveelheid detail hebben.
Elfjes zijn meestal gekleed in heel praktische kleding, ambachtslieden dragen dan makkelijk zittende en beschermende kleding, zoals broeken en schorten. Andere zoals hoftovenaars dragen juist hele nette kleding. Indien ze rokken dragen dan zijn deze met vele onderrokken dat er met geen mogelijkheid onder gekeken zou kunnen worden als er over iemand heen gevlogen wordt. Bij feesten en andere officiële gelegenheden komt iedereen in dit soort kleding. Een kenmerk deelt al hun kleding, het geeft hun vleugels goed de ruimte zodat ze hier geen last van hebben bij het vliegen.
Voorbeeldnamen mannelijk: Gonor, Chlamor, Syful, Chomonas, Hepator,Cheiropod, Granuloc, Dysosto, Acrospir, Osteos, Intrahepator.
Vrouwelijk: Noroe, Herpa, Mydia, Trichona, Filis, Hetapi, Calvara, Rosaca, Ichta, Leukema, Tomysaia, Fascicula, Agenesisa, Blepharophi, Brachydaty.

4.5.2 Phouka

De naam phouka is een verzamelnaam voor een bepaald soort feeën die een gemeenschappelijke eigenschap hebben in dat ze bepaalde aspecten hebben van dieren. Individuele Phouka zijn over het algemeen extreem verschillend van elkaar. Er zijn een aantal eigenschappen die wel op elkaar lijken. Zo zijn de meeste phouka onverbeterlijk in het blijven uithalen van kwajongens streken. Als de situatie zich voordoet, is het heel moeilijk voor een phouka om zich te bedwingen een geintje uit te halen.
Niemand weet precies wat de phouka nou precies zijn en hoe ze ontstaan. Phouka worden over het algemeen geboren bij een normaal sterfelijk gezin (maar nauwelijks bij feeën) en schijnen gewoon eigenschappen over te nemen van hun 'ouders'. Dit komt het meeste bij tolvs voor, maar er zijn genoeg gevallen bekend onder alle rassen. Rond de tijd dat normale mensen in de pubertijd zouden komen, beginnen phouka ook te veranderen. Over de tijd van een paar jaar nemen ze fysieke eigenschappen aan van hun dieraspect. Bij de cuniculen en de vosjes kan dit toch wel raar uit zien. Doordat dit in de pubertijd gebeurd kun je ook in de uiteindelijke grootte van de phouka een beetje het dier herkennen. Phouka van kleine dieren blijven meestal kleiner en tengerder dan hun eigen soort en die van grote dieren juist wat groter. Ook verandert hun gedrag naarmate ze zelf meer inzicht krijgen in hun eigen situatie. Een kind voor deze 'transformatie' kan totaal niet lijken op wat hij/zij later zal worden. In feite is de sterfelijke vorm van de phouka een soort Toverglans, gebaseerd op het geloof dat de phouka een gewoon lid van het ras van zijn ouders is. Zolang iemand hierin gelooft zal hij/zij dat ook zien. Als er een reden is om door te hebben dat de phouka is wat hij/zij is, dan zal de Toverglans verbroken worden en ziet de persoon de Phouka in zijn half-vorm. Voor de phouka gebeurt dit automatisch in de pubertijd. Phouka die doorhebben wat ze zijn, kunnen deze Toverglans zelf controleren. Ze kunnen hem 'uitzetten' zodat iedereen de half-vorm kan zien, of ze kunnen andere mensen gewoon vertellen dat ze phouka zijn.
Phouka hebben ook nog een derde vorm, de volledige vorm van hun dieraspect. Dit is een ware transformatie en geen Toverglans. Hierdoor kunnen bezittingen en zo niet mee transformeren, tenzij ze speciaal hiervoor geprepareerd zijn, dit vraagt wel speciale uitvoerige magische rituelen die alle phouka, nadat ze dit van een andere geleerd hebben kunnen uitvoeren.
Alle phouka nemen mentale eigenschappen over van hun dieraspect zodra ze doorhebben wat ze zijn. Wolf Phouka hebben bijvoorbeeld de drang voor een sociale orde, kat phouka zijn eigenwijs en zelfstandig en insect phouka worden over het algemeen aangetrokken door licht. Hun beroepskeuze en hun magische vaardigheden lijken vaak ook een logisch verband te hebben met hun dieraspect. Behalve deze eigenschappen en de eigenschap dat ze graag geintjes uithalen met anderen zijn de phouka volledig vrij om zich te gedragen hoe ze willen, hetgeen vaak afhankelijk is van hun eerste opvoeding. Dat phouka moeten liegen is een fabeltje dat waarschijnlijk voortkomt uit het feit dat phouka wel eens nogal los met de 'waarheid' omgaan, waardoor het lijkt alsof ze constant liegen.
De kans dat een phouka een phouka als kind krijgt is uitermate klein, zelfs als dit met 2 soortgelijke phouka gebeurt. De resultaten van zulke samenkomsten zijn over het algemeen nog onvoorspelbaarder dan met 2 willekeurige andere feeën.
Door de manier waarop phouka in de wereld verschijnen leren zei ook meestal hun kledingsstijl van hun ouders en is er dus niet echt een phouka stijl. Behalve natuurlijk dat het soms aangepast wordt aan hun dierlijke kenmerken zodat het nog goed en lekker zit, alhoewel kleding ook regelmatig gebruikt wordt om deze juist te verbergen. Als de ouders van een phouka problemen hebben met het phouka zijn, of gewoon een rebels kind hebben zal de manier van kleden natuurlijk ook juist heel tegengesteld van hen worden…
De namen die phouka van hun ouders krijgen zijn natuurlijk in de stijl van het ras en het gebied van de ouders. Maar na het ontdekken van hun natuur nemen ze wel vaker namen aan die op een of andere manier op hun diersoort lijken.
Enkele voorbeelden: Flidar(a)(vlinder, bij (dar)), Instor(insect of tor), Bugos(bug->insect), Catol(kat), Merel, Fox, Kitty, Björn(beer).

4.5.3 Kabouters

Wij gekleed als Kabouters De kabouters zijn over het algemeen niet te kiezen als ras voor de spelers in de meest algemenen vorm. Het is wel mogelijk als een karakter gemaakt is gewoon zoals alle anderen en kunnen daardoor gewoonlijk een stuk minder dan NPC kabouters. Maar deze kunnen, als ze een goeie bui hebben, best uitvoerig toveren maar zullen dit niet zomaar doen als hun dit gevraagd wordt, enkel als ze daar zelf zin in hebben.
Kabouters zijn ook een ras waar relatief weinig over bekend is, dit omdat door hun grote, meestal tussen de 8 a 10 centimeter, het niet echt mogelijk is om bij hen te komen wonen. Ze zien er uit als kleine mensjes met bolle lachwangetjes, vaak met nette goed verzorgde baardjes en kleurrijke kleding waaronder hun karakteristieke puntmutsen.
In de meeste steden leven minstens wel een aantal clans van hen die zich met verschillende zaken in clanverband bezighouden. Ze blijken uitstekende handwerkslieden te zijn want clans hebben vaak een eigen werkplaats die ze met z’n allen verzorgen waar uitstekende producten uit komen. Het soort producten ligt dan natuurlijk aan de specialiteit van de clan. Het kan het repareren van potten pannen en van alles zijn zoals de kabouters uit de verhalen doen, maar ook het maken van schoenen of gebruiksvoorwerpen of bier zijn geen ongebruikelijke opties. Maar ook het runnen van de stoplichten op een zeer drukke kruising in een stad is iets wat wel vaker te zien is.
In hun vrije tijd gaan kabouters er wel eens vaker op uit. Soms in hun eentje om eens van de drukte van de clan weg te zijn en dan gaan ze vaak een stuk wandelen, ergens mooie natuur bekijken of zoiets. Soms met zijn allen en dan bijvoorbeeld naar een taveerne gezellig met zijn allen hun lust voor bier vervullen. Soms doen ze dan ook mee aan iets wat bekend staat als bouterdarten. Dit is darten waar kabouters als dartpijl dienen, hier hebben ze dan speciale extra versterkte puntmutsen voor om in het bord te kunnen steken.
Sommige dragen deze speciale puntmutsen ook wel vaker omdat ze zich dan veiliger voelen als ze laag lopen, die scherpe harde punt beschermt hun enigszins tegen mensen of dieren die per ongeluk op ze zouden trappen.
Voorbeeldnamen mannelijk: Krustar, Davos, Helmut, Ando, Libam, Romba, Migelaar, Stein, Drintel, Filip, Holler, Jiggel, Kappels, Oran, Raser, Snorhaar, Snorrel, Warbol, Wouter.
Vrouwelijk: Krista, Ista, Miekna, Driemke, Mops, Filina, Iggie, Jigla, Kaatje, Reske, Roetsie, Vlitta, Vlittie, Lenta, Lentelia.

4.5.4 Nimfen

Deze wezens zijn natuurwezens die hun omgeving beschermen en verzorgen. Door en met dit verzorgen van hun omgeving zorgen ze er ook voor dat die omgeving voor hen zorgt en voedt. Steden vinden ze over het algemeen niet echt aantrekkelijk en het zijn vooral uitzonderingen die zich vestigen in andere steden dan die van de feeën zelf, want daar komt het toch wel een beetje voor. Jonge puberende nimfen krijgen soms de behoefte om de grote hoeveelheid andere personen en de bekijks die er is in de stad op te zoeken, meestal voor een excursietje om wat ‘levenservaring’ op te doen.
Nimfen zijn lange(meestal tussen de 1,80m en 2,04m) personen met een lichaamsbouw waar een Grieks beeld nog jaloers van zou kunnen worden. Lang, slank en een gepaste hoeveelheid spieren. Hun huidskleur is regelmatig zeer opvallend, dit omdat er ondersoorten zijn die verbonden zijn met wat voor soort gebied ze het fijnste vinden om in te leven en dit te zien is in de huidskleur. Deze kan namelijk alle kleuren van de regenboog zijn en is passend bij deze omgeving waarin ze zich thuis voelen. Dus bosnimfen zijn groen, waternimfen blauw enzovoorts.
Ze zijn niet kieskeurig in hun partners, verschillend van cuniculen tot boomgeesen. Ook zijn ze nog wel eens betrokken in misbruik, dit kan dan weer resulteren in nimfjes, of iets anders feeïgs. De kindjes kunnen zich dan in totaal andere gebieden fijn voelen dan waar ze geboren zijn en dus helemaal ontaard zijn en diep ongelukkig. Dit is dan meestal ook de reden hoe deze wezens op avontuur gaan. Ook vernietiging van hun woning kan hier toe leiden.
Nimfen leven ook vaker niet in familie verband door de verschillen die optreden. Ze trekken daarentegen wel enigszins bij elkaar als ze zich allemaal in een zelfde gebied prettig voelen. Ze lijken behoefte te hebben aan genegenheid, vooral die nimfen die snel hun moeder verlaten hebben omdat die zich daar totaal niet thuis voelen. Het zou kunnen dat dit gemis dit en andere zaken veroorzaakt. Toch zijn die groepen erg vaak opgebouwd uit enkel vrouwen of mannen en zijn groepen vrouwen vaker iets groter. Niet gemengde groepen trekken dan wel regelmatig met elkaar op.
Nimfen kunnen, wanneer zij schrikken, spontaan van vorm veranderen in iets ongevaarlijks zoals een bloem, een boom of een waterplant of een klein visje. Ze veranderen altijd in dezelfde vorm zolang dat in de omgeving past waar ze op dat moment zijn. De basisvorm is iets wat in hun eigen element past en wat voor meeste wezens weinig interessant is. Ze kunnen pas weer terugveranderen als de ‘bedreiging’ waar ze van geschrokken zijn geruime tijd (>uur) niet meer waargenomen wordt.
Nimfen dragen het liefst geen kleding maar doen dit erg vaak toch om er zo voor te zorgen dat hun uiterlijk anderen niet teveel afleid. Dit stoort hen enigszins als er niet eens te praten valt omdat iemand hen vooral maar aanstaart. Maar de kleding die ze dan dragen is meestal nog heel licht en dun en volgt het lichaam nauw zodat het nog niet veel meer verbergt. Er zijn ook nimfen die hun uiterlijk zo veel problemen vinden veroorzaken dat ze zich in degelijke maar heel nette en stijlvolle kleding hullen die hun lichaam goed verbergt.
De namen van de nimfen zijn in de stijl zoals je ze ook kunt vinden in de verschillende mythologieën. Enige voorbeelden: Vrouwelijk: Liriopé, Dryope, Loti, Calypso, Maia, Hegetoria, Zeuxippe, Albunea, Bidadari, Mena, Thalia, Carna, Marica, Oharka, Acantha.
mannelijk: Scamander , Narcissus, Rhodus , Chloris, Chariclo, Albunuis, Carnaos, Carnos.
Grotendeels dus vrouwennamen op klinkers zoals i, e of a en mannen namen op o, os, is, uis, aos.

4.6.5 Saters

Sater plaatje

Saters zijn tussen de 1,61m en 1,79m groote natuurwezenen die hun omgeving beschermen en verzorgen. Door en met dit verzorgen van hun omgeving zorgen ze er ook voor dat die omgeving voor hen zorgt en voedt. Steden vinden ze over het algemeen niet echt aantrekkelijk, maar de meeste stadsbewoners zijn ook niet zo blij met hen doordat ze de neiging hebben nogal manipulatief te zijn. Ook omdat ze vaak een versie van Jabodo aanbidden die erg om de vruchtbaarheid draait en wel rituelen bij opvoert die sommigen toch echt niet vinden kunnen omdat ze te ‘onzedelijk’ zouden zijn. De saters zeggen dat die mensen gewoon bang zijn dat hun kinderen er aan mee komen doen en ze dat niet willen omdat ze weten wat er gebeurd doordat ze er zelf ooit geweest zijn. Het zijn vooral uitzonderingen die zich vestigen in andere steden dan die van de feeën zelf, want daar komt het toch wel een beetje voor. Jonge puberende saters krijgen soms de behoefte om de wereld eens te gaan bekijken, voor een excursietje om wat ‘levenservaring’ en zo op te doen. Het heeft iets weg van de ‘wanderlust’ zoals de kender van Dragonlance het hebben, alleen dan met een grote L.
Er zijn ondersoorten die verbonden zijn met wat voor soort gebied ze het fijnste vinden om in te leven. Saters leven normaalgesproken niet in alle gebieden maar beperken zich tot die waar een bok ook zou kunnen komen, dus niet in het water of te dicht bij vulkaankraters en zo. Ze zijn niet kieskeurig in hun partners, verschillend van cuniculen tot boomgeesen.
De saters leven meestal een beetje alleen, maar toch in groepen door met een aantal in een zelfde gebied te wonen en elkaar zo nu en dan eens op te kunnen zoeken. Dit doen ze voor activiteiten of misschien een vreemdeling een beetje voor de gek houden en natuurlijk ook gewoon voor de gezelligheid beetje samen rondhangen bijvoorbeeld om verhalen vertellen. Of het bespreken van de soortgenoten van het andere geslacht. Of om stoere verhalen op te hangen van hoe ze nu weer iemand een oor aan genaaid hebben, soms bijna letterlijk als ze bijvoorbeeld iemand overtuigen veel intiemer te zijn dan die normaal zou willen. Dit kan dan onder andere leiden tot het krijgen van kinderen die zich ergens heel anders thuis voelen en dus totaal ontaard zijn waar ze nu wonen en daarmee die ongelukkig. Maar dit treed dus wel eens op als minstens een van de ouders geen sater was. Dit kan zelfs gebeuren als de ouders niet bij dezelfde ondersoort horen. Dit soort kinderen gaan vaak vrij snel de wereld in opzoek naar een plek die als een thuis voelt.
Het liefst dragen de saters geen kleding en vinden ze hun ruwe beharing op hun onderlichamen wel voldoende. In steden passen ze zich meestal toch wel aan door toch maar een ledenlapje te dragen. En de vrouwen ook een top. Saters uit de koudere gebieden hebben ook langer en meer beharing. Als ze toch ergens heen reizen wat toch wel erg koud wordt dragen ze wel wollen jassen of vesten.
De namen van de saters zijn in de stijl zoals je ze ook kunt vinden in de verschillende mythologieën maar hier bestaan er ook vrouwelijke versies. Enige voorbeelden:
Mannelijk: Mysaryas, Pylosmas, Marsilion, Marsyas, Ampelos, Amymone, Prapus, Silenus.
Vrouwelijk: Amyda, Miladone, Ljeschi.
Grotendeels dus vrouwennamen op klinkers zoals i, e of a en mannen namen op o, os, is, uis, aos.

4.6 Halflingen

Halflingen zijn een volkje wat doorgaans er van houd alles rustig aan te doen. Ze zien er uit als normale mensen, die dan wel niet zo heel groot geworden(meestal tussen de 97cm en 1,13m) zijn en een inktzwarte huidskleur hebben en stevige helderrode lippen. Echt veel lichaamsbeharing hebben ze niet, behalve hun zwart zwaar kroezend hoofdhaar wat meestal verborgen blijft. En de mannen kunnen hier ook baarden van groeien, maar dit blijft dan enkel een laagje, soms een behoorlijk dicht laagje, maar niet meer dan een centimeter dik. Ook hebben zo grote harige platvoeten, want anders is een halfling geen halfling.Ze doen vooral hun best een beetje van het leven te genieten en worden er niet blij van als iemand ze probeert op te jutten. Toch was dat wat lang gebeurde door de andere rassen, de halflingen opjagen. Tegenwoordig zijn er vele plekken waar dit anders gaat omdat daar de cuniculen de oude sociale systemen op de kop gezet hebben. Die maakten van de halflingen vaker opzichters die leiding moeten geven, en dan bij voorkeur over leden van de grotere rassen. Ondanks dat dit vanuit hun luie stoel kan vinden ze die cuniculen toch ook maar vervelend want ook zij laten hen niet echt doen waar ze zelf zin in hebben. En omdat cuniculvlees door hun stiekem toch ook wel erg gewaardeerd kan worden.
In de steden op .... (C2), het continent waar Vrazat en Mogoe hen gecreëerd hebben regelen ze het dan ook anders. Hier zijn de werkdagen iets korter, maar word er ook een lange siësta gehouden, maar zou je dat ook niet op een continent dat zo warm is en door de ligging zo’n lange dagen heeft. Toch lijkt het geen probleem te zijn dat er minder arbeid verricht wordt. Op een of andere manier lijken hun werkwijzen er toch op berekend te zijn en gebruik te maken dat er een paar uur tussenuit gegaan wordt. De halflingen hebben niet zo heel erg voorkeuren voor bepaalde werkzaam heden, toch lijkt brouwen van allerlei dranken toch wel populair, hetzij als beroep, maar ook vaker als hobby thuis. En zo produceren halflingen in hobtobstad (C2S4) het meest beroemdste bier van heel de wereld.
Ondanks dat hun werkzaamheden zo planning uit lijken te stralen lijkt de bouwstijl van de halflingen juist het tegenovergestelde te suggereren. Of dat de bouwers daar standaard een beetje vreemd doen door oververhitting of zo. Dit omdat hun stedenbouw chaotisch is en totaal geen planning lijkt uit te stralen. Overheidsgebouwen staan overal verspreid, regelmatig staat ook een aantal buiten de stadsmuren. Dit lijkt ook vaker te gebeuren als je ziet wat voor lussen daar zo nu en dan aan gemaakt zijn geworden om weer wat belangrijke gebouwen ook maar te beschermen. Geen enkele weg is er recht, allemaal nauwe donkere kronkelstraatjes die lijken alsof men probeerde ieder plekje vol te bouwen. En dus zijn dit ook vaker huisjes die smal en ondiep zijn maar wel heel hoog en daar bij voorkeur nog een beetje uitbouwend om toch nog iets van ruimte te hebben. En op ieder plekje wat nog enigszins vrij was staat wel een weg altaartje of echt een tempeltje of zo, ook niet bij elkaar zoals dat in de meeste steden gebeurd, nee lekker verspreid, de meeste hiervan zijn overigens gewijd aan Vrazat en Mogoe, hun scheppers en in al die kleine tempeltjes word wel nog de oude taal van de halflingen gebruikt bij religieuze zaken. De taal zoals die hen gegeven is bij hun schepping.
In de kleding is hun oorsprong terug te zien, de woestijn. Hun kleding lijkt gevormd te zijn uit omgeslagen doeken waarin ze helemaal verdwijnen tot aan hun hoofd toe omdat ze een ruw platte tulbandachtige hoofddeksel dragen. Het is er overduidelijk op gemaakt om het zand buiten te houden.
Als ze in minder zanderige omgevingen komen wordt de kleding ook iets opener maar de hoofddeksels blijven, soms vervangen door het haar op te binden in een zelfde vorm.
Voorbeeld namen mannelijk: Aban, Adham, Amid, Asadel, Azhar, Badr, Bishr, Essam, Fadil, Faris, Fouad, Ghassan, Haddad, Halim, Hudhayfah, Ihsan, Jabir, Jumah, Kedar, Khaldoon, Khuzaymah, Latif, Maimun, Mash’al, Muntasir, Nawfal, Najib, Omran, Qudamah, Rafiq, Riyad, Sa’id, Samir, Subhi, Suhayb, Talal, Thaqib, Ubayy, Utbah, Wafiq, Yasir, Zaim, Zuhair.
Vrouwelijk: Abia, Aini, Almas, Azhar, Badra, Bushra, Cala, Dalal, Faizah, Fawziya, Ghaliyah, Hafthah, Hasna’, Huda, Imtithal, Intisar, Johara, Kalila, Khulud, Layla, Malak, May, Muna, Nadia, Nazirah, Nur, Radeyah, Rasha, Rukan, Sahar, Siham, Tarub, Umayma, Wafiqah, Wijdan, Yakootah, Zahirah.
Bron:
Mannelijke namen
Vrouwelijke namen
Let er op dat namen die duidelijk van aardse godsdiensten afstammen niet voor komen.
Naamopbouw: Voornaam bin(bint voor vrouwen) je vaders naam bin je opa’s naam en dan je achternaam die de vorm heeft: Al- iets. Laat het maar Arabisch klinken.
bin = zoon van, bint = dochter van

4.7 Gnomen

Gnomen zien er uit als kleine mensen(meestal tussen de 1,03m en 1,29m) met een lichte huid en blond of rood haar. Vooral baarden hebben nog wel eens een rooiïge schijn. Ze zijn enkel net wat tengerder gebouwd dan mensen. Haar en baarden worden goed verzorgt maar regelmatig ook dat ze er enigszins chaotisch uitzien, soms zo erg als de beroemde Einstein look.
De meest voorkomende gnomen leven op(of komen van) het continent in wording. Het ontstaat op de kruising van ongeveer iedere grote breuklijn, het is daardoor een zeer geologisch actief gebied vol aardbevingen en vulkaan uitbarstingen. De gnomen vinden dit een geweldig gebied omdat er veel energiebronnen zijn om de machines op te laten draaien. Ze testen er hun laatste uitvindingen en vinden er de bouwmaterialen voor nieuwe projecten. Men noemt deze groep ook wel vuurgnomen alhoewel meestal als men het gewoon over gnomen heeft zij ook bedoeld worden, omdat ze veel meer voorkomen.
De andere groep gnomen leven op IJ-i-sage (C5), deze gnomen verschillen in een aantal opzichten gigantisch van de vorige groep, de vuurgnomen. Deze gnomen worden namelijk wel aangeduid als ijsgnomen naar het koude ijzige continent waar ze op leven. Ze zijn ook net een fractie kleiner dan de vuurgnomen. Deze gnomen hebben een manier gevonden om die koude te gebruiken voor zeer vele bezigheden. Het feit dat ze niet wijd verspreid zijn is omdat er weinig plaatsen genoeg koude hebben om mee te werken.
De gnomen zijn geschapen door Hesoldé en Ogrus op IJ-i-sage. Na een groot aantal generaties begon hun oorspronkelijk continent redelijk bevolkt te worden. In die tijd is er een ramp gebeurd die de wereld stevig door elkaar schudde en veranderde. Het was de laatste grote schok in de geschiedenis van de verschuiving van de continenten. Bij deze verschuiving kwam er een aantal gigantische vulkanen tot uitbarsting op de breuklijn tussen de continenten. Daar ontstond op dat moment het grootste deel van wat nu Gnomania (C7) is. Deze gebeurtenis is over de hele wereld te zien geweest door de rode gloed die nachtenlang aan de horizon was. Voor een gedeelte van de gnomen wekte dit zodanig nieuwsgierigheid op dat er expedities werden opgezet om uit te zoeken wat er gebeurd was. Toen de expedities met verhalen terugkwamen van het nieuw gevonden land zijn er vele gnomen daarheen geëmigreerd om daar met de warmte bronnen te experimenteren (en niet meer in de kou te zitten). Dit is toen de 1e generatie vuurgnomen geworden.
Op IJ-i-sage was ten tijde van de laatste grote schok het religieus leven al opgezet en werd daar dus de oude gnoomtaal gebruikt. Op Gnomania heeft het weer een redelijk aantal generaties geduurd voordat het gehele eiland enigszins ontwikkeld was en ook de tempelcomplexen gebouwd waren. In de tussentijd was hun taal verder veranderd ten opzichte van het al vernieuwde gnooms wat ten tijde van hun verhuizing op IJ-i-sage gesproken werd onder invloed van de nieuwe dingen die ze tegen kwamen en konden doen. Hierdoor is de religieuze taal op Gnomania de taal die gesproken werd toen daar de georganiseerde religie weer vat kreeg en daardoor aanzienlijk anders is dan dat op IJ-i-sage.
De gnomen komen bijna altijd erg vrolijke en enthousiast over. Dit komt tot uiting in hun enthousiaste fanatieke manier waarop zij ieder project benaderen, en vaak ook met groot succes afsluiten. In dit enthousiaste gedrag wordt nog wel eens geen rekening gehouden met anderen, vooral als dat geen gnomen zijn. Het is niet helemaal duidelijk of dit nou echt zo onbewust gebeurt als ze dat altijd over laten komen. Vooral zoiets als dat ze zouden experimenteren met cuniculen als krachtbron kan toch niet als een ongelukje gezien worden. De cuniculen kunnen dit zeker niet geloven, die worden al woedend bij de gedachte alleen al, maar hebben nog geen succes in bewijzen vinden dat dit echt zou gebeuren. En per ongeluk met alle gevechtsapparatuur de troepen van de opdrachtgever raken is ook al twijfelachtig, wat toch wel al eens gebeurd schijnt te zijn. Ook het feit dat ze over het algemeen zeer geordend en doordacht werken en daar trots op zijn versterkt de twijfel dat zulke grote ‘fouten’ echt per ongeluk kunnen gebeuren. En die doordachte geordendheid van de gnomen uit zich dan ook in hun bouwstijl. Dit bestaat ui een hele mooie rechte opbouw die een groot stijlgevoel laat zien en heeft maar weinig krommingen en gebruikt daarvoor in de plaat veel hoeken , en dan zodanig dat er veel symmetrie optreed. Hun steden zijn dan ook altijd zeer overzichtelijk en goed begaanbaar. Dit zie je ook terug in de gnoomse wijken in bijvoorbeeld cunicul steden omdat zei dit daar ook toepassen.
De gnomen gebruiken de cuniculen in hun samenwerking om hun uitvindingen gefinancierd te krijgen, uit te kunnen proberen en groots toegepast te zien worden en zijn er van overtuigd dat zei het meeste voordeel hebben van deze deal. De cuniculen daarentegen krijgen hierdoor diensten ter beschikking van de gnoomse uitvindingen zoals drukpersen en luchtballonnen om reclame te maken voor hun vele festiviteiten door flyers uit te gooien. Ook voorzien de gnomen met enige regelmaat in oorlogsmachines en vervoersmiddelen om mee ten strijde te trekken.
Deze samenwerking en het feit dat de gnomen ook niet zo groot zijn zorgt ervoor dat zei in cunicul steden redelijk hoog op de sociale ladder staan. Toch worden ze meer naar de randen gehuisvest om zo de stad veilig te houden en hen ruimte te geven voor hun projecten.
Het voornaamste kledingstuk van alle gnomen is hun grote leren vest dat volledig bedekt is met zakjes en kleine onderdeeltjes enzo. Ook hebben ze korte leren schortjes die ze dragen als ze gaan werken waar gereedschap in en aan kan.
Bij de rest van de kleding komt het verschil tussen de vuur en de ijs gnomen wel tot uiting.
IJs gnomen dragen hele dikke kleding met veel bont en ook wel wol. Bonten schoenen, bonten randen aan het vest. Dikke wollen trui onder het vest en een met het bond naar binnen gekeerde leren broeken.
Vuur gnomen daarentegen dragen regelmatig geen bovenkleding of anders dunne fel gekleurde bloezen/shirten en soepele leren broeken.
De namen van de gnomen bestaan uit 3 delen. Het eerste deel is hun eigen voornaam, vervolgens komt hun achternaam die ze van hun moeder krijgen, en vervolgens komt hun moeders voornaam. Meestal zitten de namen aan elkaar vast, soms verbonden met – of ‘ er tussen door, bij sommige lettercombinaties die ontstaan in de overgangen gebeurt het vaker om de klank correct te houden. Een enkele keer komt ook voor dat het geheel los geschreven wordt.
Enige voorbeelden:
Vrouwelijk: Icy, Vura, Bolta, Nij, Moersa, Spij(ka), Rustifni, Scrala, Nayla, Rada.
Mannelijk: Bolter, Vuri(d), Nijp, Mort(el), Moert, Rustif, Titin, Scrav, Cluffenbolsh, Valtos, Slurod.
Achternamen ijs: Icid, Ucid.
Achternamen vuur: Vur, Vaur.
Achternamen beide: Staum, Culkrac(h), Nalis, Tian, Sgots, Vlav, Pnom.

4.8 Vosjes

plaatje van een vosje Dit ras bestaat uit een mensachtige versie van vossen die ongeveer even groot zijn als de cuniculen(ongeveer tussen de 88cm, en de 1,03m). Hierdoor kunnen ze de cunicul holen ingaan voor de jacht. Nu de cuniculen grotendeels binnen stadsmuren wonen zijn de meeste hier veilig voor, dit tot grote teleurstelling van de vosjes.
De vosjes houden er van de cuniculen aan stukjes te scheuren en direct op te eten, hiermee zijn ze een uitzondering, de andere rassen vinden het lekkerder ze te bereiden. Een andere populaire bezigheid is het vangen en aan de metgezel aanbieden van cuniculen. Erg typisch is ook dat de meeste anderen wantrouwig worden als er een vos aan een spel mee doet, ze schijnen wel erg vaak te winnen en dat is erg vervelend als je voor geld speelt.
De vosjes zijn kort na de verschijning van de cuniculen voor het eerst verschenen. Ze zijn in een paar generaties zeer snel uit vossen geëvolueerd tot de wezens die ze nu zijn. Zij hebben, net zoals de cuniculen en andere "nieuwe" rassen geen eigen oorspronkelijke taal maar hebben de taal geleerd die gesproken werd door de wezens om hen heen. In tegenstelling tot de oude rassen zijn zij ook direct op alle continenten verschenen.
Toen de cuniculen de steden in trokken daarmee op het land hun prooi verdween heeft dit hun gedwongen ook richting steden te gaan en ‘geciviliseerder’ voor hun eten te zorgen. Ze kwamen hier tussen de grotere rassen terecht omdat de cuniculen zich hier toch al zoveel mogelijk uit de buurt probeerden te houden en ze liever geen vosjes dicht in hun buurt hebben.
Door hun relatief snelle opkomst en vermenging in de steden hebben ze niet een duidelijk eigen cultuur. Ze trekken in hun verering van Wramo en Tsen wel op met de Tsami omdat ze die nu eenmaal met elkaar delen als schepper. Verder binden ze zich weinig met anderen, dit doordat de natuur van de vos toch nog redelijk in hen zit met de neiging tot eenzaam op jacht te gaan.
Hun natuur is ook terug te zien in de voorkeur in de keuze van werk, ze zijn namelijk opvallend goed vertegenwoordigd in werkzaamheden zoals detective werk, privé in cunicul geregeerde gebieden, maar ook gewoon in het politiewerk waar de cuniculen niet de macht hebben. Hierin kunnen ze namelijk hun behoefte tot de jacht enigszins in kwijt. Dit doen ze ook zo nu en dan door risicovollere werkzaamheden te hebben, zo dus ook voorkeur voor de criminaliteit, en inhuurwerk in de legale en minder legale varianten zoals bodyguard zijn of huurmoordenaar. Maar ze hebben ook geen problemen met banen die minder populair zijn bij de omgeving zoals deurwaarder of belastinginspecteur. Als ze op de jaarmarkten werken zitten ze hier meestal in de entertainment, en dan meestal in iets wat hun fysieke wendbaarheid optimaal gebruikt, of ze zitten in de handel.
Door hun vacht hebben vosjes weinig behoefte aan kleding maar als ze in de stad leven passen ze zich meestal aan omdat dat meer kans geeft op betere banen. Ze kleden zich dan meestal enkel in een hesje en een kniebroek of een enkele keer een rok.
Voorbeeldnamen mannelijk: Reinaard, Nallin, Furk, Halian, Nalren, Nodin, Yuma, Yakecan, Delsin.
Vrouwelijk: Nirarda, Shill, Alona, Dena, Kiona, Mansi, Shako, Tacincala, Tarsha, Winema, Zaltana.

4.9 Tsami

Hij was vanmorgen wakker gerammeld door zijn moeder en ondervraagt wat hij gisteravond met Blanca gedaan zou hebben. Met een barstende koppijn had hij haar verteld dat hij van niks wist, enkel nog dat Siegmar met een drinkspelletje was gekomen voor zijn feestje. Ze had bedroefd gekeken, "je bent beschuldigd van het bezoedelen van Blanca, hoop maar dat er nog iets goeds voor je opduikt, maar bereid je voor" Daarmee was ze weg gegaan. Hij had zijn spullen gepakt en was met een karaf water in de achterkamer gaan zitten.
Hij zat daar nog niet lang toen hij het geroezemoes uit de voorkamer hoorde stoppen en het hele gezelschap naar hem toe komen. Het waren zijn ouders en tantes, en Blanca’s ouders en tantes en Blanca’s oom Ybert, het dorpshoofd. Er was nog wat geschuifel toen zijn vader de stilte doorbrak "Je kent de beschuldigingen? Alle getuigen die je gister weg hebben zien gaan zeggen dat je zover weg was dat alles mogelijk is. Nog iets te zeggen?"
Toen ze binnen kwamen was hij opgestaan en heeft het met gebogen hoofd aangehoord. Voor zijn antwoord kijkt hij iedereen aan "Ik kan niks inbrengen ter verdediging." Hierbij sloeg hij heel even de ogen neer om dan weer door te gaan. "Ik doe afstand van mijn familienaam en bied alles van waarde" wijzend naar de buidel die hij op tafel gelegd had "aan als schadevergoeding en zal ons dorp binnen een uur verlaten." In de ogen van zijn ouders zag hij een traan verschijnen, maar ook een glans van trots dat hij deed wat moest gebeuren. Blanca’s familie keek elkaar even aan en toen pakte haar moeder de buidel op en verlieten zij en zijn tantes zwijgend het huis.


De Tsami bestaan uit Mogota, Pakordin, Fiorek en tegenwoordig ook door alle mogelijke mengelingen hiervan. Ze zijn het product van een project van Wramo en Tsen om ook een ras op de wereld te brengen. Zij zijn voor het eerst op Noord-knabosa (C5) verschenen. De verschillende subrassen verschenen op verschillende plekken over het continent. Deze plekken zijn nu nog enigszins te herkennen in het landschap door wat geintjes van hun makers, het gobbobos(C4G1) is daar een goed voorbeeld van.
Ze hebben toen ze elkaar voor het eerst tegen kwamen een tijdje moeten zoeken naar een machtsbalans omdat ze allemaal ongeveer even sterk waren en hun eergevoel hen te koppig maakte aan elkaar toe te geven. Deze patstelling heeft zo enige generaties geduurd waarin alles langzaam tot rust kwam en de situatie geaccepteerd werd. Hierna konden ze een vorm van eenheid gaan vormen doordat ze in deze vrede elkanders arbeidsmarkten met hun verschillende talenten mooi aan konden vullen. Hierdoor zijn de subrassen enigszins gemixt waardoor het niet altijd meer even duidelijk is bij welk subras iemand hoort.
De cultuur van de Tsami tegenwoordig is niet duidelijk een. De drie culturen van de ondersoorten zijn nog te herkennen maar ook wat door elkaar heen gaan lopen over de tijd dat ze met elkaar samen leven. De dingen die ze gemeenschappelijk hebben zijn dat ze toch alleen wat tot koppigheid drijvend eergevoel hebben en de verering van de goden die hun gecreëerd hebben, Wramo en Tsen.
De Mogota zijn kleine(gemiddeld tussen de 1,12m en 1,36m) tengere gebouwde wezens wiens huidskleur onderling wat varieert maar allen zijn toch wel te omschrijven met groenachtig . Ze zijn van oorsprong heel erg op hun clan gericht, alles in dienst hiervan en het geloof dat dit na de dood beloond zal worden. Ze zijn hierdoor bijna zonder doodsangst. De clan word geleid door een groep van ‘stamoudsten’, dit zijn degene die het slimst en handigst zijn geweest en daardoor vertrouwen hebben en een achterban hebben die zij overtuigd hebben. Deze sterkte structuur en hun aantal was ook wat hen hun kracht gaf, gewend aan de clan structuur werd ook in de strijd goed samengewerkt. Door hun gebrek aan persoonlijke fysieke kracht bestond ook een deel van hun strategie uit terroristische oorlogsvoering zoals zelfmoord aanslagen enz.
De Pakordin zijn van redelijk gemiddelde grote(gemiddeld tussen de 1,66m en 1,94m), stevig en hoekig gebouwde groene wezens. Hun cultuur draait om het hebben van succes en de familie eer en falen dient tegen bijna ieder prijs voorkomen te worden. Omdat succes afhankelijk is van waaruit je begint en succes van je familie op de rest uitstraalt hebben ze een groot familie en voorouder binding. Dit resulteert in uitgebreide stervensrituelen, voorouderverering, opkomen voor elkaar, maar ook in het geval van grote blamage door verstoting. De families worden geleid door de oudste zolang deze het leiderschap aan kan. Deze bewijscultuur was tijdens de strijd zoveel hun sterke als zwakke kant want hierdoor zullen ze tot het uiterste gaan om succes te krijgen maar zijn ze ook uit te dagen tot onmogelijk te halen acties.
De Fiorek zijn grote(gemiddeld tussen de 2,15m en de 2,57m) zwaar gebouwde wat mollige grijsgroenige wezens Ze leven meestal in gezinsverband en verder contact word zoveel mogelijk vermeden. Door deze op zich zelf aangewezen levensstijl zijn ze redelijk sterk en intelligent doordat dat nodig is als je weinig steun hebt. Dit waren dan ook de dingen die hun sterk maakt in de strijd, maar aan de andere kant was hun solitaire neiging ook hun zwakte omdat ze daardoor weinig organisatie hadden omdat ze hier niet van houden en dus niet gewend waren zoiets te gebruiken.
De Tsami hebben wel allemaal ongeveer hetzelfde donkere dichte haar. De mannen dragen dit meestal kort. Bij de vrouwen wordt dit vaak lang en in vlechten gedragen, maar bij de Mogota gebeurd dit wat minder.
De ogen zijn daarentegen wel variërend van lichte blauwe tinten tot donkerbruin, ondanks dat dit vanuit een menselijk perspectief soms onlogisch uitziet.
De Tsami zijn dol op cunicul vlees, ze zeggen dat het het lekkerste voedsel in de hele wereld is en dat vinden de cuniculen niet bepaald tof. Sinds de cuniculen aan de macht zijn staat daardoor op het hoofd van de Tsami, en dan vooral de grotere in hun gelederen want de kleinere getuigen gewoon voor elkaar dat ze onschuldig zijn, erg snel een prijs. Dit komt doordat cuniculen bij de minste verdenking dat er een betrokken is bij een zaak deze als al veroordeelde behandelen en een dikke prijs uitloven voor het binnenbrengen van de ‘verdachte’ of bewijs van zijn overlijden.
De Pakordin mannen zijn gekleed in korte of tot iets over de knie komende redelijk strakke leren broeken die aan de voorkant (ongeveer op de heupbeenderen) 2 knopen hebben waartussen zich een klep bevind. Op deze kleppen worden patronen aangebracht, aan deze patronen kun je stammen herkennen, en aan de hoeveelheid extra versiersels de belangrijkheid binnen de clan. Dit wordt verder aangevuld met simpele bloezen en een (leren) vestje, soms ook bewerkt met patronen. Als ze naar koude(re) gebieden gaan nemen ze lange iets minder strakke broeken die verder op de normale lijken en truien en als het echt koud wordt gevoerde broeken en leren jassen.
De vrouwen dragen helder gekleurde wijd uitstaande jurken met vele witte onderrokken en de jurken creëren aan de bovenkant een groot decolleté (zoals Fiona van Shrek), bij de voornamere dames afgezet met kant.
Mogota lopen er vrij saaitjes bij en hebben wel ‘klepzeikers’ zoals de Pakordin maar dragen minder strakke en vrijwel altijd de lange modellen. Verder dragen ze simpele bloezen en niet vaak vestjes. De vrouwen dragen of simpele jurken, zonder noemenswaardige decolleté of kleding die lijkt op die van hun mannen.
De Fiorek dragen in tegenstelling tot de ander Tsami van die jagershoedjes met een veer op (zoals robbin hood in de disney film en in ‘man in tights’) als extra detail bij de stijl zoals de Pakordin hebben. Omdat ze veel minder hecht zijn zie je ook bijna altijd iets van verschil tussen de verschillende patronen op de klep, hoe groter dit verschil hoe verder ze van elkaar staan binnen de familie.
Hun vrouwen dragen ook vergelijkbare kleding als die van de Pakordin maar dragen daarbij ook een soort bont gekleurde mutsjes met kante randjes
De namen van de Tsami zijn Germaans, sommige komen vooral voor bij een van de ondersoorten zoals bijvoorbeeld koningsnamen van een ander ondersoort waar ze niet mee geassocieerd willen worden. Andere namen komen juist bij allemaal voor.
Mannenlijke namen: Aiko, Bernolf, Dago, Detmer, Edwin, Eckart, Ferre, Garibald, Gerbert, Glaubrecht, Grimbert, Hardowin, Houwert, Humfried, Ingwar, Ivor, Jaarke, Knut, Kunibert, Lebrecht, Ludolf, Marbod, Neithard, Obrecht, Ortlieb, Oswin, Radmer, Reinmar, Rycklof, Selmar, Siegmar, Tell, Ubald, Vilmar, Waldemar, Werenfried, Weigand, Ybert.
Vrouwelijke namen: Aya, Asta, Blanca, Clotilde, Clunera, Dietlinde, Edelgard, Erdmuthe, Fredegunde, Godelinde, Griselda, Haya, Helga, Hildegunde, Idhuna, Irmengard, Jitske, Kunegonde, Ludewij, Lubberta, Mabelie, Minne, Notburg, Olga, Osberthae, Ragna, Rika, Rosemunda, Sinda, Swanhilde, Thusnelda, Ulla, Veleda, Wendelmoet, Winfrida, Eisbertha.
Bron van deze Germaanse namen
Achternamen zijn over het algemeen verbasteringen van voornamen met ‘send’ aan het einde toegevoegd. Dit is een overblijfsel van dat >eigennaam< z’n kind is

Hits on this page: